9 februari 2010

Sinds ik ben ontslagen bij de krant in 2006 ben ik van traject in traject gerold.
1. Burnout: traject in de vorm van gesprekken gecombineerd met een cursus.
2. Outplacement: traject in de vorm van gesprekken en een snuffelstage. En een training van twee dagen in een peperduur landgoed op de Utrechtse Heuvelrug.
3. In de WW belanden: traject in de vorm van begeleiding van gesprekken bij het UWV (’Solliciteer je wel genoeg?’).
4. Individuele Reïntegratie Overeenkomst: traject in de vorm van gesprekken.
5. Start eigen bedrijf met behoud van bijstandsuitkering: traject in de vorm van begeleiding en het schrijven van een bedrijfsplan.
6. Einde eigen bedrijf ondanks toestemming om met het eigenbedrijftraject door te gaan (omdat ik conform bedrijfsplan wil freelancen NAAST een dienstverband en dan nu eerst een dienstverband): opnieuw in een reïntegratietraject maar dan nu vanuit de sociale dienst, in de vorm van gesprekken en twee stages want anders beland ik op de sociale werkvoorziening en daar ben ik te hoog voor opgeleid dus dat mag niet. Bovendien zitten ze op de sociale werkvoorziening ook maar een potje te dammen omdat er amper werk is. Er moet en zal een contract voor minimaal negen maanden plus een premie voor de werkgever uit rollen.

Even los van wat hierna komt: reken minimaal vijfduizend euri per traject.

Het laatste traject loopt nu drie maanden. En ik heb er geen fiducie meer in. Garantie op werk is er niet en ondertussen zit ik tijdelijk weg te kwijnen achter een bureau tussen de ambtenaren met een vooruitzicht op nogmaals drie maanden tijdelijk wegkwijnen achter een bureau tussen andere ambtenaren. Het eerste bureau bood even perspectief op een baan, ware het niet dat er uitsluitend extra mankracht wordt ingehuurd via de sociale werkvoorziening. Dus helaas pindakaas en nee, dan heeft het geen zin om je stageperiode alvast te gebruiken om in te werken op het project waarom het gaat. Of, zoals dat fijntjes door de leidinggevende werd gezegd: ‘Dan val je tussen wal en schip want in schaal vier of vijf in de ambtenaren CAO ben je te duur.’
Zo houd je armoede in stand, dacht ik nog.

Hondsmoe van het ene na het andere traject besluit ik me eind vorig jaar aan te melden bij een thuiszorgorganisatie die me graag als basishulp zouden willen omdat ik een auto heb en breed inzetbaar ben. Ik denk: persoonlijk contact met mensen. Beetje op pad, beetje hierheen, beetje daarheen. Eigenlijk verschilt dat niet veel van het werk dat ik voor de krant deed. Ik hoef mijzelf alleen geen kramp in mijn hand te schrijven terwijl ik met de mensen spreek. Tegen huishoudelijk werk heb ik geen bezwaar. Sterker nog: ik zie de OmaWeetRaad-tips me al om de oren vliegen. Want ik ben er eentje die eruit haalt wat erin zit. Suf heb ik me de afgelopen jaren gesolliciteerd, op allerlei passend werk, maar ik heb mijn cv tegen. Daar heb ik me bij neergelegd. Een ingewikkelde universitaire kunstopleiding en uitsluitend werkervaring in de journalistiek. Lamemaardiddoen. Dat boek komt er vast nog wel eens.

Ambitie? Waar? Hoe? Wat? Komt in mijn woordenboek niet voor. Mijn wens om een rustig en eerlijk leven te leiden is in de afgelopen jaren alleen maar groter geworden en zeker na het afgelopen jaar is die sterker dan ooit. Baantje voor het brood op de plank en een beetje freelancen voor het lekkere beleg op de boterham. Meer blief ik niet, al heel lang. Het is alleen zo enorm lastig om dat bij die miep van het laatste reïntegratietraject aan haar verstand te peuteren.

Overal zit ik maar een beetje te lullen over wie ik dan wel niet ben en waarom dan wel niet en wat ik wil en wat ik kan en waarom dan wel wel. En dat al een jaar of vier lang. Ik word zo schijt- en schijtziek van al dat betuttelende gedoe en al dat gelul dat ik vanzelf wel een keer in een WIA-traject beland als dit zo doorgaat. Ik zit [***********] alleen maar anderen aan het werk te houden.

Zo, dat is eruit.

Nu wil het geval dat de laatste reïntegratiemiep zich bemoeide met mijn keuze om voor een thuiszorgorganisatie te gaan werken. ‘Niet passend’. En dat ze mij wel hadden gebeld en anderen niet. Dus belde ze de organisatie op en zei ze dat ik voor hen niet mag gaan werken. Ik zie mijzelf potverdorie op deze manier tot in den treuren in de bijstand allerlei k*tklussen opknappen als stagiair.

Dus meldde ik me ziek, twee weken terug. Om redenen van een jaar geleden en om andere redenen die hier spelen. Nu die redenen weer wat op de achtergrond zijn beland, blijft de angel van het zoveelste oeverloze traject over. En dus stak ik vanmiddag een dikke vinger op naar mijn miepje van het laatste traject. En belde ik de thuiszorgorganisatie.

Zoete inval

4 februari 2010

Oja, een jaar geleden.
Het was de zoete inval op dat ienieminieappartementje waar ik toen nog woonde.
Maar dat kon hier ook, de zoete inval.
Af en aan, belangstelling, telefoontjes, lange gesprekken, bosje tulpen.
‘Riiing’, zei de bel en Otto stond alweer te dansen.

Mensen reageren dan zo anders. Kennelijk voelden ze zich verplicht om even langs te komen. En na wat zelfopgelegd ‘verplichte’ woordjes snel overgaan op veiliger onderwerpen.
Of een raar soort angst voor de hond, die elke vorm van aandacht zeer op prijs stelt. Visite is immers altijd Leuk.
Gil. ‘Aaa, tandjes!’
Dat ik van lieverlee hond een stukje stinkende gedroogde pens geef en dat hij dat dan lekker op het karpet gaat liggen knabbelen. ‘O, wat stinkt dat spul. Maar zo is het wel een hondje zoals ik het graag zie.’
Ik denk aan de emmer met de mop die ik boven klaar had gezet. Aan de hond die straks eigenlijk nog even een uurtje zou moeten lopen. Na al die zoete inval wil ik er zelf ook wel graag even een uurtje uit.
Hoe stuur je plakkend bezoek weg op een manier die voor beide partijen mild is?
Neem een hond.
O, zegt een andere zoete inval. ‘Dan loop ik gezellig even een stukje met je mee.’

‘Wil je een appel?’ vraag ik aan de zoete inval.
Maar nee.
Wie eet er dan toch ook een appel als je ergens op bezoek gaat. Doet u dat als u er eentje aangeboden krijgt? Of laat u het ook bescheiden bij een kopje koffie of thee?
Dus bleef ik zitten met een zak vol appels van een biologische boerderij die ik gekregen had.
Ik ben niet zo’n appeleter. Ik ben sowieso niet zo’n fruiteter. ’s Morgens bij het ontbijt drink ik steevast een glaasje sinaasappelsap. Soms een appeltje of een mandarijntje tussendoor. Otto lust dat trouwens ook wel. Klein stukje appel. Partje mandarijn. De katten vinden dat maar raar. Dat dat beest dingen eet die ik ook eet. Dat dat beest vers vlees eet. Of een stukje kaas. Daar halen de dames poes hun neus voor op.

Dus kreeg ik wederom een zoete inval. De appeltjes in de pan hakken. Scheutje water erbij. Kwartiertje laten koken. De pureerbehandeling met de staafmixer. Wat kaneelpoeder er doorheen.

Ik haal nooit meer een pot appelmoes in de winkel.

29 januari 2010

Nee, het is geen fijne week, deze week. Ik breng hem door met Otto. We wandelen een beetje, ik pluk zijn vacht een beetje. Ik zadel hem op met een vraagstuk over een stukje kaas in een zwart hondenspeelding:

En ik zit hem stiekem te filmen terwijl hij een innig weerzien beleeft met zijn vaste speelmaatje:

Tot hij er genoeg van heeft:

27 januari 2010

Ondertussen houd ik me bezig met een activiteit die tegen de achtergrond van mijn dagen van de laatste tijd tamelijk nutteloos lijkt: het gescheiden bewaren van mijn plastic afval.

Miljoenen nieuwe geuren

23 januari 2010

Uurtje struinen langs de IJssel. Iets dat ik zonder hond nooit zou hebben gedaan.
Geluk zit in een paar honderd meter banjeren door een zompige uiterwaarde en in miljoenen nieuwe geuren aan de zilte waterkant.

IJssel

IJssel

IJssel

Lachen

21 januari 2010

18 januari 2010

Het is verdorie net een kind, zo’n pup!
- Wat is ie al groot geworden!
- Ja, en hij is ook al begonnen met tandjes wisselen.

Verder beweeg ik me een beetje gedachteloos door de tijd heen. De LED-lamp die ik kreeg brandt precies hetzelfde als de gloeilamp die er eerst in zat. Dat valt best mee. Ik had een heel schel wit licht verwacht.
Er staan nog geen tulpen in de kamer. Nog niet.
Ik haal mijn schouders op. Ik weet niet zo goed hoe ik me moet voelen. Of ik me moet voelen.
Ik wil heel hard huilen.
Een jaar geleden had R nog een week te leven zonder dat iemand dat wist.
En dan heb je het over dat je pupje tandjes aan het wisselen is. En dat hij het zo leuk vindt om met de voetbal te spelen. En dat hij voor de eerste keer zijn pootje heeft opgetild bij het piesen. Het is niet zozeer dat het wel en wee van mijn pup een veiliger gespreksonderwerp is, soms is het dat wel, maar het is meer dat anderen anders dan ik bezig zijn met een jaar geleden.

9 januari 2010

Ik ben eigenlijk nu wel klaar met die k*tsneeuw.
Ot ook. Elke keer na het wandelen ijsbolletjes in de vacht en tussen de teentjes.
Warm handdoekje en het is snel weer weg, maar vanmiddag begon het onderweg al te manken door zo’n ijsbal tussen zijn teentjes. Toch zijn die ijsballetjes lekker voor hem. Hij likt ze weg en dat voelt lekker koel in het bekje bij het tandjes wisselen.
‘Elk nadeel hep se foordeel’ (J. Cruijff).
‘t Is verdorie al vier weken. ‘Sneeuw, sneeuw, sneeuw, sneeuw, sneeuw en sneeuw’, ipv ‘Spam, spam, spam, spam, spam, spam and spam’ (Monty Pyton).
Ik loop echt niet lekker met die opgevroren zooi.
Ik schiet in een soort slot van krampachtig lopen.
Dat is niet handig met Ot, al voel ik me tijdens het lopen met hem zekerder als ik over gladde stukken moet dan wanneer ik in mijn eentje moet.
Ot is zo’n trekzakje. Ik wil een slee kopen. Ga ik op de slee zitten en kan Ot naar hartelust trekken en hoef ik geen uitglijangst te hebben.
Ik zie R al in zijn vuistje lachen. ‘Ja, JIJ wilde een hond!’
Fietsen met dit weer vind ik helemaal je reinste zelfmoord. Petje af voor ouders die dan met kinderen voor op en achter op de fiets en zelfs nog met een hond erbij. Ik begin er niet aan.
Ik strooide wat zout op het achterplaatsje. Knetterknetter, zei het ijs.
‘Denk de lente!’ kreeg ik gemaild vanuit de VS, waar ze best met ons meeleven.
Denkt u een beetje lente mee?

5 januari 2010

Toen ik naar dit huis verhuisde, waren er zo veel dozen en meubels en spullen die de bestemming ‘werkkamer’ kregen dat ik gaandeweg het inpakken besloot om maar te gaan slapen in de kleine slaapkamer en te werken in de grote slaapkamer.
Een paar feestdagen, twee lange weekenden en een omvangrijke logistieke operatie later slaap ik inmiddels in de grote slaapkamer en staan de dozen met troepjes in de kleine slaapkamer.
Nog uit te zoeken.
Spullen van R ook nog. In februari in een doos gedaan en sindsdien niet meer uit de doos gekomen.
Ik was niet de enige die aan het opruimen was geslagen.
P, die me vorig jaar bij de verhuizing enorm had geholpen, vervolgens me verbood de naam van R nog te noemen, kwam op nieuwjaarsdag bij wijze van wiedergutmachung R’s fiets terugbrengen. Die had ik hem gegeven toen ik R’s flat leeghaalde. Zat hij zonder fiets, had hij weer een fiets. Maar nu stond fiets in de weg. Zoenzoen en een gelukkig nieuwjaar. En maar benadrukken dat ik zo’n jaar achter de rug had gehad met het overlijden van R.
Slijmjurk.
Klaagzingen over dat hij nu dan ook maar een bijstandsuitkering gaat aanvragen want hij kan geen werk meer vinden. Mij uithoren over hoe dat dan wel niet is, zo nabij de armoedegrens en wat voor regelingen waren er dan.
Wat is Ot ['de hond moet hoognodig nog even lopen'] dan een fijn excuus om een gesprek te beëindigen.
Dus liep P een stukje mee.
P is iemand die niet uitgepraat raakt.
Die niet loslaat wat hem dwars zit.
Die twee maanden na de crematie liet weten dat hij wel meer met me wilde.
Daarom heb ik met zeer gemengde gevoelens toegelaten dat hij me hielp met klussen.
En die me na het klussen verbood om R’s naam in zijn bijzijn nog te noemen.

Je maakt wat mee, als kersverse weduwe.

Vandaag tastte ik op zoek naar het losse bijbehorende fietsslot in de fietstassen van de fiets van R.
Allemaal losse troepjes van R.
En zijn handschoenen.
Ik kan dan hebben dat ik zo tegen tweeën ’s nachts nog even naar de fiets van R loop om die troepjes in de fietstassen op te halen en te bekijken. En dan te besluiten: naah, kan weg.

OJ-avond

1 januari 2010

Nina Ottosson is een Zweedse hondenliefhebster die allerlei spellen heeft ontwikkeld voor honden. Er moet iets worden verschoven om een voertje te bemachtigen, er moet iets worden omver getuimeld voor een voertje, en dan allerlei variaties daarop. De spellen zijn peperduur, dus ik was blij dat ik op de valreep van het oude jaar nog een tweedehandsje op de kop heb kunnen tikken. Dus brachten Ot en ik OJ-avond al spelletjes spelend door terwijl buiten de oorlog zo’n beetje uitbrak.

Toen de oorlog uitbrak kroop Ot op schoot en hebben we samen vuurwerk zitten kijken. Twee van de drie dames poes liepen wat nerveus heen en weer en verschansten zich uiteindelijk onder het bed.
Ik was met andere woorden meer bezig met de dieren dan met terugblikken en vooruitblikken. En ik geloof dat ik dat ook niet meer ga doen, terugblikken op wat is geweest en niet meer terugkomt en plannen maken. Ik vraag me trouwens ook elk jaar af hoe het de vogels buiten vergaat met al dat vuurwerk. En de katten die niet op tijd binnen konden zijn. Enzo.

Nou ja, hoe dan ook.
Heb het goed.